Technologische innovatie hoort thuis in de opleiding

11 maart 2019

Technologische vernieuwingen maken een steeds groter deel uit van het medisch beroep. Belangrijk dus om hier al in de medisch-specialistische vervolgopleiding aandacht aan te besteden. Maar is die ruimte er wel? Want de opleidingsduur wordt alsmaar korter en het curriculum telt steeds meer onderwerpen. In het magazine De Medisch Specialist vertellen aios gynaecologie Irma Scholten en opleider neurologie Henry Weinstein waarom technologische innovatie tóch een plaats verdient binnen de medische vervolgopleidingen.

Aios Irma Scholten merkt dagelijks hoe het vak van medisch specialist continu verandert door technologie. Haar zwangere patiënten met een indicatie voor een dagelijks hartfilmpje, maken deze tegenwoordig gewoon zelf en sturen dat via een speciale app door, zodat de gynaecoloog in het ziekenhuis het filmpje kan beoordelen en het vervolgbeleid kan doorbellen. Chronisch zieke patiënten kunnen via een app hun pijnscores en andere waarden bijhouden, die de specialist inzicht geven in het ziekteverloop. Andere specialismen maken gebruik van digitale tools waarin algoritmen bepalen welk middel het beste werkt bij een patiënt - niet alleen op basis van effectiviteit, maar ook op factoren als toedieningswensen en leefstijl. Kortom, technologische vernieuwingen hebben op die manier grote invloed op hoe de medisch specialist zijn werk doet: van anamnese tot het gesprek met de patiënt, en van het maken van behandelkeuzes tot overleg in het zorgnetwerk.

Dringen

Voor Scholten staat dan ook vast dat de medisch specialist van de toekomst goed moet zijn voorbereid op de technologische innovaties die invloed hebben op zijn beroepsuitoefening. De vraag is dit in te passen is  in de medische vervolgopleiding, want het is dringen: er zijn veel niet-klinische onderwerpen waarvan opleiders, aios of andere belanghebbenden vinden dat ze deel moeten  uitmaken van het curriculum. ‘Er zijn inderdaad nog veel andere onderwerpen waarin aios zich moeten verdiepen, zoals ouderenzorg, medisch leiderschap en doelmatigheid’, zegt Henry Weinstein, naast opleider ook lid van de Raad Opleiding van de Federatie. ‘En dan moeten ze óók nog medisch-inhoudelijk expert worden. Tegelijkertijd geldt: als wij niet meegaan met de veranderingen in de wereld, dan verandert de wereld ons.

Openstaan voor verandering

Om aios en opleiders te helpen technologisch innovatorschap eigen te maken, publiceerde De Jonge Specialist in samenwerking met de Federatie eind 2018 de Handreiking Technologische innovatie in de medisch-specialistische vervolgopleiding . ‘Daarin staat dat kennis van technologische innovaties straks voor iedere aios een basiscompetentie is, ongeacht of je wordt opgeleid tot chirurg, gynaecoloog of neuroloog’, vertelt Scholten, die voorzitter was van de werkgroep die de Handreiking opstelde. ‘Technologische innovatie vereist geen extra competenties’, benadrukt ze. ‘Veel vaardigheden, zoals samenwerken, kritisch kunnen beoordelen en je eigen grenzen kennen, leren we nu al in de opleiding.’ Weinstein: ‘De belangrijkste eigenschap die aios op dit gebied moeten opdoen, is leren openstaan voor verandering. Dat is niet zozeer een competentie, maar een attitude.’

Geen belemmering

Scholten denkt dan ook dat de kortere opleidingsduur geen belemmering is om ervaring op te doen binnen de opleiding met technologische innovatie. ‘De voornaamste ‘extra’ competentie die aios moeten opdoen, is leren kansen te herkennen.’ Ze geeft een voorbeeld: ‘Stel dat je voor de zoveelste keer een verwijsbrief moet overtypen omdat de computersystemen van de huisartsenpraktijk en het ziekenhuis niet matchen, dan hopen we dat je je niet alleen afvraagt of dat niet beter kan, maar dat je als dokter bereid bent actie te ondernemen. En dat je vervolgens weet hoe je die actie kunt inzetten. Je hoeft als aios niet zelf een technologische innovatie te verzinnen, maar je bent dan wel degene die het agendeert.’

Maar weten opleiders wel voldoende over medisch-technologische vernieuwingen, om aios op hierbij te ondersteunen? Volgens Weinstein hoeft een opleider hoeft hier geen affiniteit mee te hebben, maar moet hij wel het belang ervan inzien en de aios faciliteren. ‘Dat kan bijvoorbeeld door de aios vanuit zijn netwerk met de juiste mensen in contact te brengen, of door een collega uit zijn vakgroep – die er wél affiniteit mee heeft – te vragen om dit deel van het opleiderschap voor zijn rekening te nemen. Daar komt bij dat niet elke technologische innovatie, hoe leuk of spannend ook, relevant is voor de patiëntenzorg. De opleider kan die afweging beter maken dan de aios. Ook daarin kan de opleider de aios hem van advies voorzien.’