‘Naar leefstijl vragen is straks een natuurlijke routine’

18 maart 2021

Als ik als kinderlongarts een kind ophaal om samen naar mijn spreekkamer te lopen, kan ik vaak al ruiken of in het gezin gerookt wordt. Hoewel het dan kriebelt om te vertellen dat stoppen met roken astmaklachten kan verlichten, begin ik daar niet meteen over. Niemand zit te wachten op een veroordelende kinderarts. Dat helpt de vertrouwensband niet. En in het toch al krappe consult is er ook nog meer te bespreken. 

Toch komen leefstijlaspecten zeker wel ter sprake.
Bij een integrale benadering hoort ook een algemene anamnese en die geeft voldoende haakjes om naast lichamelijke klachten ook te vragen naar algemene informatie als (mee)roken, sport/bewegen, eetpatroon en de groei. Dat is een neutrale ingang om bijvoorbeeld roken, overgewicht of conditietekort te benoemen.

Het voeren van zo’n gesprek is belangrijk: voor de individuele patiënt en zeker ook voor ons zorgstelsel. Door leefstijlproblematiek aan te kaarten en zo chronische aandoeningen (zoals diabetes type 2 en hart- en vaatziekten) trachten te voorkomen, dragen dokters bij aan het terugdringen van vermijdbare zorg en dus ook aan kostenbesparing. Zeker nu er steeds meer bewijs komt dat leefstijlinterventies effectief zijn en dat dokters positieve invloed kunnen uitoefenen op gedragsverandering.

Toch is het gesprek aangaan niet eenvoudig. Vaak voelen de aios en ook de specialist zich machteloos: is het hun taak wel en mogen ze iemand wel aanspreken op leefstijl als die geen verband direct houdt met de klacht? En zo ja, hoe dan? Dat dit nog niet vanzelfsprekend is, onderstreept het belang om een onderwerp als leefstijl te verankeren in de medische vervolgopleiding. 

Artsen hebben handvatten nodig om te leren dat leefstijl thuishoort in hun spreekkamer en binnen welke grenzen. Ernaar vragen moet een natuurlijke routine worden, waarbij de medisch specialist de interventie niet zelf en zeker niet alleen hoeft te doen. Dit vraagt om eigen zorg binnen een zorgnetwerk en weten waar de interventiemogelijkheden liggen voor een meer gericht advies. Sterker nog: als meerdere zorgverleners in het netwerk dezelfde boodschap afgeven, is de kans van slagen groter. 

In de opleiding moet daarom aandacht komen voor het kennen van de basis van leefstijlinterventies. Maar ook van de intra- en interprofessionele partners binnen én buiten de ziekenhuismuren die een interventie kunnen uitvoeren. Overigens is leefstijlgeneeskunde prima te integreren in de opleiding zonder dat daar aparte modules voor nodig zijn: denk aan het opnemen van een motiverende gesprekstechniek naast oefenen met het slechtnieuwsgesprek binnen de competentie communicatie. Juist die integrale benadering zorgt dat leefstijl ‘ingebakken’ raakt in het consult.

Tegelijkertijd is het belangrijk realistisch te zijn. Leefstijlverandering is geen snel succes. Het vraagt om een lange adem, het regelmatig herhalen van de boodschap en blijven motiveren. Soms zonder resultaat: verstokte rokers of mensen die het maar niet lukt om af te vallen. 

Waarom het dan toch doen? Voor die keren dat het wél lukt, is de winst enorm. Voor de maatschappij en de grip op de zorgkosten, maar ook voor de resultaten in de eigen spreekkamer: van het kind dat herstelt van slaap- en visusproblemen door minder beeldschermgebruik, tot de vader die stopt met roken en zijn kind met astma daardoor ook over de streep trekt, en zelfs voor de 88-jarige dame die door krachttraining langer zelfstandig kan wonen. 

Mijn afsluitende tip is dan ook dezelfde als die aan mijn patiënten: wat u vandaag doet, is morgen meegenomen! 

Hein Brackel
Kinderarts-pulmonoloog en bestuurslid Federatie Medisch Specialisten met portefeuille Opleidingen